De 'Crempener' Diepramen

Ongeveer een eeuw nadat Hendrick Symonsz Diepraam van Santen uit het Rijnland van zijn voorvaderen naar Rotterdam kwam, vertrokken sommige van zijn nazaten naar een nabij rivierengebied, een kleine waterrijke streek, de Krimpenerwaard. Dit gebied wordt omsloten door drie wateren, ten eerste dus de Lek, verder de IJssel en ook de Vlist.

Dit verhaal gaat over enkele Diepramen die een rol speelden in dat Zuid-Hollands dorpje dat nu Krimpen aan de Lek heet, maar vroeger 'Crimpen op de Lecq'. Momenteel is dat dorp Krimpen onderdeel van de gemeente Nederlek waaronder ook Lekkerkerk valt. Jan II van Polanen was in 1342 de eerst bekende Heer van de Lecq. Willem van Nassau la Lecq (1601-1627) verkreeg de heerlijkheid in 1625 van zijn natuurlijke vader Maurits van Oranje-Nassau, de stadhouder van Holland en Friesland. Willem sneuvelde in 1627 in de Slag van Groenlo.1

Het aardige van Crempene, de vroegste spelling van de dorpsnaam Krimpen zoals we kunnen lezen op de website van de Historische Vereniging Crempene,2 is dat het al heel oud is. Het was een ambachtsheerlijkheid, dus een gebied waar een ambachtsheer de baas was. Het wordt al in de 13e eeuw genoemd. Volgens sommigen betekent 'krempene' een bocht in een rivier; anderen denken dat een krempene een oversteekplaats op een rivier was.

Nog leuker is dat we hierin een paar overeenkomsten zien tussen Diepraam en Krimpen. De oorsprong van beide namen was nooit helemaal zeker. Het ontstaan van Krimpen zou net als Diepraam in de 13e eeuw kunnen liggen, mogelijk vóór 1277. En lazen we in een ander verhaal op deze website niet dat 'fort' in Lintfort, het oorspronkelijke grondgebied van de Diepramen, eigenlijk doorwaadbare plaats betekent?

Zouden de Diepramen, waarover we het nu gaan hebben, om die redenen naar Krimpen zijn gegaan? Hun vestiging daar zal eerder een praktische oorzaak hebben gehad, lees maar verderop. Mogelijk zat Neeltie Leenders, de geliefde van de eerste Crempener Diepraam, goed bij kas. Amour et argent, dat zijn immers de meest voorkomende motieven voor trouwerijen.

'Eersaam, en beijde gesont van Lichaam, Verstant en Memorije'

Die emigratie uit Rotterdam naar Krimpen moet in het begin van de 18e eeuw hebben plaatsgevonden. Wie was de eerste? Mogelijk was dat de 'Eersame Hendrick Diepraam'. Hij had er een goeie reden voor, want hij trouwde met genoemde 'Neeltie Leenders van Krimpen'. Zo staat het in zijn testament dat hij, nog maar net getrouwd met zijn Neeltje, in het begin van de 18e eeuw voor Schout en Scheepenen in de Krimpenerwaard liet opmaken. Dat testament was uiteraard een handgeschreven, acht foliovellen tellend document gedateerd op 8 juli 1725.3

Hierin meldt Schout Krijn van Holst dat voor hem zijn verschenen: de comparanten Hendrick Diepraam en Neeltie Leenders van Krimpen. Wat valt op aan deze testamentaire acte? Niet dat die niet werd opgemaakt en gepasseerd bij een notaris, maar bij de Schout en Scheepenen, in feite het bestuur van de Krimpenerwaard en van het dorp Crimpen op de Lecq zoals de klerk van Schout Van Holst de naam ervan spelt. Nee, iets anders trekt meteen onze aandacht. Dat zijn de openingszinnen van een extreem ouderwets en zwaar religieus kaliber over het waarom van dat testament. Pas daarna komen de juridische bepalingen. Weliswaar luidt de allereerste zin op folio 1 dat 'de Comparanten hebben verclaart dat sij voor het passeeren Deeses in den quohiere van de 200e Penning niet zijn gequatiseerd.' 4 Maar lees nou de aanhef eens: 'In de Naam des Heeren. Amen'. Dat was ongetwijfeld toen al een bijzondere aanhef van een juridisch stuk. Deze vroomheid komt verder in geen stuk van en over Diepramen voor.

En daar blijft 't niet bij. Na de gebruikelijke mededelingen over het echtpaar en zijn getuigen, die als comparanten voor de Schout en de Heemraden 'tot Crimpen op de Lecq' compareerden, dus verschenen, de Schout Krijn van Holst en de heemraden Teune van Holst en Gerrit Huijser, en ook de twee zelf: 'de Eersame Hendrick Diepraam en Neeltie Leenders van Krimpen, Egte Man en Vrouw en onser allen bekende inwoonders. Beijde gesont van Lichaam gaande en staande. Haar Verstand, Reeden en Memorije seer wel hebbende ende volkoomentlijck gebruijckende, soo 't selfde Claarelijck scheen en bleek, te kennen geevende sij, Beijde comparanten, dat sij Bedenckende waaren de Brosheijd des menselijcken Leevens, de Seeckerheijd des Doots, ende daaromme beraaden te sijn te disponeeren van de tijdelijcke goederen Haar bij Godt Allemagtig op Deeze weerelt verleent ende die sij luijden metter Doot zullen te ontmijnen hebben en Naa te laaten. Beveelende alvoorens Haare Zielen soo wanneer Die uit Haare sterfelijcke Lichaamen zullen koomen te scheijden in de genaadige en grondeloose Bermhertigheijd Goodes Haaren Schepper en Zaaligmaaker Jesus Cristus ende Haare Doode Lichaam een Eerlijcke Begraaffenisse ter Aarden, Ende tot Haarder intentie koomende alvoorens Revoceerende Casseerende Doot...' 5

Een indrukwekkende opening van een testament, dat zeker. Maar die hoeft geen verwondering te wekken als we verderop tussen de bepalingen ten gunste van 'de erffgenaamen', de naatelatende kinderen' van Hendrick en Neeltie Diepraam-Leenders, die eventuele voogden en de 'Langst leevende' bij vroegtijdig overlijden van een van de twee moeten volgen, ook lezen dat zij behalve 'een Legitime Portie van de Naalatenschap' te zullen ontvangen, deze kinderen eveneens zullen moeten 'allimenteeren en Eeten, Drinken, Kleederen en andere Behoeftens soo in sieckten als gesondheijt van Nooden zijnde, mitsgaders Deese te laaten leeren Een Bequaam handwerk off Andere Eerlijcke Excercitie...' die zij moeten 'gewinnen ter schoolen van een Christelijcke Gereformeerde Religie soo als een getrouw Vaader en Moeder naar consciëntie verpligt is te doen.' 6

Kleren, eten, drinken en christelijk onderwijs, daar ging het om in dit testament. Is daarmee beantwoord wat deze Hendrick Diepraam bewoog om uit Rotterdam te vertrekken en in de nabije Krimpenerwaard zijn geluk te beproeven? Schertsend noemde ik al twee mogelijke oorzaken te noemen, liefde en geld, de volgorde laat ik maar buiten beschouwing. Kloppen die met de werkelijkheid? Dit gelezen hebbende kwam er misschien nog een bij. Die van de religie. Zijn voorvader Hendrick Symonsz Diepraam was om geloofswille uit Xanten vertrokken, dus vanwege een breuk met de roomse religie omwille van de gereformeerde godsdienst. Was Neeltie mogelijk de gelovige, vrome vrouw die deze latere Hendrick ertoe bracht de verderfelijke stadslucht te ontvluchten en in het toen al zeer christelijke dorp Krimpen te gaan wonen?

Het is met de bronnen die we hebben moeilijk te zeggen. Schaars zijn ze niet, die bronnen, want we beschikken over een dik pak documenten van ambachtsheren of -vrouwen, schouten, notarissen, enz., maar op een vraag als de bovenstaande geven ze geen antwoord. De betrokkenen vonden dat vermoedelijk vanzelfsprekend.

De Krimpener Diepramen in lokale 18e-eeuwse documenten

De documenten die aangetrouwd familielid Wim Brinkman aantrof in het Algemeen Rijksarchief laten vooral zien dat niet alle maar relatief toch veel Krimpener Diepramen nauw betrokken waren bij het bestuur van de Krimpenerwaard en dan in verschillende niet onbelangrijke functies. Weliswaar vertrokken al vroeg in de 19e eeuw enkele Diepraam-families naar de Alblasserwaard en werden zij ingezetenen van Alblasserdam, daar verkregen zij nooit de bestuurlijke posten die hun ouders, ooms en neven in de Krimpenerwaard ten deel vielen, ook in de kerkbesturen van dit calvinistische bolwerk.

De belangrijkste bestuurder was de Ambachtsheer (de hoogste feitelijke gezagsdrager in een Ambachtsheerlijkheid). Het lokale bestuur bestond uit een schout, een secretaris (soms de schout in een dubbelfunctie), de heemraden, waarsmannen, burgemeesters, geschierde mannen (soort dijkbewakers die bij dreiging van watersnood moesten ingrijpen) en kerkmeesters.

In een document van 24 januari 1731 werd Jan Diepraam (zie hiervoor) genommineerd als Heemraad van Krimpen op de Lecq. Zijn zwager Gerrit Leenders van Krimpen was een van de nomineerders en hijzelf werd door Aart van Veen als kandidaat voorgedragen. Gerrit Huijser was een medekandidaat. In dezelfde kandidatenlijst komt ook Teune van Holst voor (zie eerder al hun namen) en bij die voor waarsmannen (of waardsman: was verantwoordelijk voor bewaking van vee in de uiterwaarden) treffen we Arij Borsie aan als nomineerder. Hendrick Diepraam werd in 1732 als waarsman aangesteld en Abraham Diepraam als geschierde man. Later wordt hij vrij veel genoemd in de Diepraam-documenten. En zie, in dezelfde kieslijst van 1731 stelt Jan Diepraam deze Borsie voor als burgemeester.

Uit deze lijsten leren we dat een eventuele benoeming overigens vaak maar een jaar duurde, want in een zelfde Nomminatie van het Geregt voor het Jaar 1732 op 27 januari komt Hendrick Diepraam aan bod, Abraham Diepraam trouwens ook. Dus om zitting te nemen in de rechtspraak. Wat er ook uitspringt, is dat we steeds dezelfde namen tegenkomen en dat ze elkaar nomineren. Bestond er in de Krimpenerwaard en in Krimpen op de Lecq misschien een familieoligarchie? Die indruk krijg je wel.

In 1746 wordt Hendrick Diepraam genomineerd als regent nadat hij een jaar eerder heemraad was geweest. In 1747 stopt Leendert Diepraam als waarsman. Ook Lukas of Lucas of Luijkas Diepraam (alle drie dezelfde, maar met verschillende schrijfwijzen) komt vaak in aanmerking voor functies. In 1750 was hij burgemeester, lezen we.

De Heer van Krimpen himself, Abraham del Court, stelt en commiteert in 1752 Hendrick Diepraam aan als heemraad. In een stuk over de aanstelling van waarsluijden wordt Lukas Diepraam door Abraham del Court 'eligibel en bequaam' genoemd als 'regeerder' van 'mijne heerlijkheit van Krimpen op de Lecq'. Ze staan dan onder de schout Gerrit van Holst Krijns.

Die Mr. Abraham del Court was zeker niet de minste. Hij had in 1750 de heerlijkheid Krimpen gekocht voor het toen gigantische bedrag van 50 000 gulden. Hij was Scheepen van Amsterdam en Commissaris van Zeezaken van die stad en hij stond met onze Luijkas Diepraam kennelijk op goede voet. In 1754 installeert hij hem als heemraad.

In een kort document uit 1780, een attestatie genoemd, zien we dat op de 11e februari van dat jaar Leendert en Jan Isaacz Diepraam samen optraden als heemraden naast de toenmalige schout van Krimpen op de Lecq, Mattheüs van der Zeegen Lagerwerff. Twee inwoners van het dorp 'compareerden, Klaas de Groot en Anthonij van Dijk' voor die drie, verschenen dus voor de schout en de twee heemraden, om een verklaring af te leggen. Het ging om een overleden dorpsgenoot, ene Aart van Neederveen die een kwarteeuw eerder als matroos had aangemonsterd op een Rotterdams VOC-schip naar de Oost, maar op zijn eerste reis met dit schip, de 's-Gravensande, al bij Kaap de Goede Hoop was gestorven. De vraag was of deze Aart ooit getrouwd was geweest, want 't ging natuurlijk om zijn nalatenschap. De ouders van Aart waren al eerder dan hij gestorven en zijn erfenis, in de vorm van een inboedel, moest onder zijn broers en zusters worden verdeeld. Klaas de Groot en Anthonij van Dijk hadden Aart goed gekend en 'zijnde van competente ouderdom' konden ze 'attesteren' dat Aart wel had aangemonsterd op de 's-Gravensande, maar nooit in het huwelijksbootje was gestapt.

In de voorgaande tien jaren had Krimpen op de Lecq een Ambachtsvrouw. Ze was als echtgenote van Abraham del Court aan de macht gekomen. Of zoals zij zichzelf bij de benoeming tot waarsman van Leendert Diepraam in 1772 noemt: 'de Douairière van de Weledelgestrenge Heer Mr. Abraham Del Court, Heer van Krimpen op de Lecq'. Ook zij benoemde andere Diepramen behalve Leendert Diepraam in 1765, zoals Lucas Diepraam in 1769 tot heemraad. Leendert was het in 1780 nog steeds en Jan Isaacz kwam er toen nog bij. Van de laatste horen we verderop nog meer.

Hoe dan ook, voor de Crempener Diepramen waren het onder de Del Courts zeker mooie tijden.

Borgtocht en Weeskamer

Al bemoeiden de Diepramen zich dus behoorlijk met de lokale politiek in Krimpen, ze hadden bovendien hun privézaken. Wij als hun nazaten weten daar echter minder van dan van hun publieke rol die in acten, dus in openbare stukken bewaard is gebleven. Het enige dat we zeker weten is dat de meesten van hen er 'warmpjes' bij zaten. Niet schatrijk, maar door hun vermoedelijk sobere levensstijl en hun spaarzaamheid, passend bij hun religieuze overtuiging, zien we in hun testamenten uit het eerder genoemde Rijksarchief dat zij allerminst onbemiddeld waren.

Ze waren getrouwd en hadden kinderen voor wie ze zich verantwoordelijk voelden. Eerzame burgers werden ze genoemd, betrouwbaar en sociaal voelend, en daardoor geschikt voor lokale taken. Ze hadden vrienden en waren bereid die ook wel eens te helpen bij hun moeilijkheden. Dat zien we in een Acte van Borgtocht van 30 oktober 1781 toen voor schout Mattheüs Van der Zeegen Lagerwerff en scheepenen Arij Borsius en Maarten de Jong 'Jan Isaacz. Diepraam compareerde, Inwoonder van Krimpen op de Lecq denwelke onder Expressen renunciaties onder het beneficium ordinis ten Excussionis (ten gunste van een derde), meede brengende dat de Principaalen Debiteur eerst moet worden uijtgewonnen door de borg en principaal voor en ten behoeve van Klaas de Groot, dat hij Jan Isaacz Diepraam beloovende voor een bedrag van vijfhonderd en vijfentwintig guldens Hollands Courant' borg zal staan. Een vriendendienst? Een zakelijke kwestie? Kan allebei.

Valt ook de volgende acte in een van die categorieën? Nee, want het is een Acte van Voogdij van 2 Junij 1780 waarin 'de Heer Nicolaas van Hattem, Meester-Chirurgijn alhier' voor schout Mattheüs van der Zeegen Lagerwerff en de scheepenen Jan Isaacz Diepraam en Leendert Diepraam verschijnt om deze acte te laten passeeren. De Heer Nicolaas compareert 'ten behoeve van wijlen Zijnen Broeder Johannis van Hattem die in de (Zeeuws-Surinaamse) Colonie Berbice op de Plantagie Beerensteijn Meester-Chirurgijn' was en wijlen Heer Govert van Waas in de Stad Gouda voor zijn dood tot voogd over zijn kinderen had laten benoemen door 'Jacobus van Broekhuijsen, Eerste Clerq op de Secretarije' in Berbice. De Heer Jacobus van Hattem, ook Meester-Chirurgijn, maar dan in Giessendam, zal volgens deze acte het voogdijschap van de Heer Govert van Waas 'assumeeren en surrogeeren met... magt en authoriteijt'. Dus het voogdijschap aannemen en in plaats van uitvoeren. De schout en schepenen tekenden deze acte 'omme deese te laten dienen naar behooren', maar dat tekenen was alleen een ambtelijke taak verrichten.

Familie gaat boven alles, zoals we een maand later zien, in een Acte van Acquiet (van instemming of genoegenneming) van 12 november 1781. Daarin lezen we dat drie Diepramen uit Krimpen, Leendert, Hendrick en Abraham, die voor schout Mattheüs van der Zeegen Lagerwerff (ja, wie anders?) 'compareeren' om genoegen te nemen met een gering erfdeel in plaats van het hun toekomend kindsdeel op te eisen van hun vader, wijlen Leendert Diepraam (overleden op de 7e oktober 1781), en hun moeder Willemijna Kors, al eerder wijlen. De rest van de boedel en de nalatenschap ging naar de tweede vrouw van Leendert Sr.; dat was Antje Houwaart, geboren in Lisse, die ook kinderen had van Leendert Sr.

Dit laatste blijkt uit een acte van voogdij die op 10 april 1784 wederom bij schout Mattheüs passeerde. Daarmee droeg Antje de voogdij van haar kinderen van wijlen Jan Isaacz Diepraam (ooit schepen van Krimpen; zie eerder) over op haar stiefzoons Leendert Jr. en Hendrick, met de volgende aardige bewoordingen: zij zullen van de inmiddels overleden Jan Isaacz Diepraam het voogdijschap 'assumeeren en surrogeeren' en ervoor zorgen dat 'de minderjaarigen' niet in 'een weeskamer' terecht zullen komen.

De dood van Jan Isaacz en de verdeling van zijn nalatenschap

Het pakket foliobladen overziend lijdt het geen twijfel dat we 't meeste weten van Jan Isaacz Diepraam, meermalen 'gecommiteert' als schepen van Krimpen op de Lecq. Hij werd op 1 februari 1733 in Krimpen aan de Lek geboren en stierf daar op 21 september 1782. Hij is niet getrouwd geweest, althans in geen van de documenten die we van hem hebben wordt gesproken over een weduwe of een echtgenote en zijn testamenten gaan ná zijn overlijden, allemaal over erfgenamen die in de rest van de familie moesten worden gezocht.

Als jongste zoon van Isaac Diepraam en Adriana Jansdr. Timmers had hij drie zusters en twee broers, zoals vermeld in de Diepraam-genealogie. Dat waren Francijntje, Jan Isacz, Helena, Cornelia, Helena. Isaac of Isac Diepraam verloor, op onze Jan Isaacz na, waarschijnlijk al vroeg zijn kinderen. Cornelia werd maar 16 jaar, de tweede Helena slechts twee jaar en de eerste Jan en Helena vermoedelijk al bij de geboorte.

Dit kwam in die tijd natuurlijk vaker voor, maar in de genealogie van het Diepraam-geslacht zien we vrij veel kindersterfte, terwijl de mannelijke Diepramen zelden ouder werden dan 50, althans voor zover we kunnen nagaan. De Diepraam-genealogie heeft wel geboorte- en/of doopdata, maar lang niet altijd kennen we de overlijdensdata.

Jan Isaacz. was dus een eenzaam mens en hij werd niet ouder dan 49. Hij stierf op de dag dat de herfst begon en dat was gezien zijn leeftijd ook het begin geweest van zijn herfstjaren.

Kort daarop, op de 23e september, dus twee dagen na zijn dood, en de dagen daarna begon de inventaris van wat hij naliet. Zijn bezit werd opgesplitst in Onroerende en Roerende Goederen.

Bij 't eerste hoorden een 'Huijs, kookhuijs, schuur en een erve staande en geleegen op de Dorpe van Krimpen op de Lecq, binnen de Poorterij, Strekkende van halver Dijk aff Zuijdwaarts tot op de diepte van de Lecq, belend ten Oosten na te melden Huijs en ten Westen van de Heer Willem van der Geer... Nog een Huijs, schuur en erven staande en geleegen, mitsgaders strekkende als vooren belend ten Oosten van de Kerk van Krimpen voornoemt en ten Westen van het eerstgenoemde Huijs en erven, in huure bewoond en gebruijkt wordende bij de weduwe wijlen Marijnis Hopman en Jan Drapers, die daar aan Huure hebben tot Meij 1783 en waar van de Huurpenningen van dit loopende Jaar ten goede zijn.'

Twee huizen dus in Krimpen waarbij in de inventaris nog komen twee akkers griendland (met wilgenhout beplant buitendijks rivierland), samen 137 en een half roeden groot, 'geleegen binnen den Ambagten van Krimpen in de affgesneeden Boezem achter Cornelis Laagerwaard.'

Als roerende goederen bezat Jan Isaacz. 'een volgschuijt Zalmwater op den worve van ouds genaamt Spijtje Bakkus en dito op de worve genaamt Akkervlijt'.

Daarbij kwam een aantal 'Obligatien, eerstelijk een Obligatie van Een duijzend Guldens Capitaal ten laste van Holland en Westvriesland ten comptoire (op het kantoor) van Dezelven ontfanger Generaal in S'Hage staande ten naame van Isaac Diepraam'. Nog een obligatie van 'Een duijzend Guldens Capitaal van den Generaliteijt der Vereenigde Neederlanden ten comptoire van de ontfanger Generaal in S'Hage ten name van Isaac Diepraam'. In de inventaris worden ook de uitgiftedata, vervaldata en de folionummers plus de interesttijdstippen vermeld. Daarna komt de lijst met nog twee obligaties idem als de twee eerstgenoemde, maar op naam van ene Simon Simonsz Verween.

Vermeld wordt ook een zogenaamde kleine prijsobligatie van 400 gulden waarvan uit de beschrijving blijkt dat het een lot is, van 'de weederhelft van 6 millioenen Guldens'. Verder twee obligaties van duizend gulden 'ten comptoire van de Ontvanger-Generaal de heer Johan Patijn in Den Haag' ten name van de Heer Capteijn Roemer Vlacq' plus een obligatie van 1000 gulden ten laste van de 'Kooning van Denemarken en Noorwegen onder Speciaal Verband' en 'Eijndelijk nog twee Obligatien ieder van Duijzend Guldens ten laste van de Regeerende Hertog van Brunswijk en Lunenburg'.

Plus nog wat kleinigheden als kleding en meubilair was dit het nagelaten bezit van Jan Isaacz Diepraam. Hij was duidelijk een zo niet schatrijk dan toch een vermogend man als we de waarde van de guldens zouden omrekenen naar hedendaagse waarde.

Wie waren de Erffgenaamen, zoals ze in de Acte van Scheijding en Verdeling van Boedel en Nalatenschap worden genoemd? In die acte van 17 oktober 1782 (waarvan een volledige transcriptie is gemaakt voor belangstellenden) wordt gezegd dat 'wijlen Jan Isaacz. Diepraam, gewoond hebbende en op de 21e September te Krimpen op de Lecq ab intestato overleeden' is. Die toevoeging in cursief betekent twee dingen: ten eerste 'zonder testament' en verder 'natuurlijke erfgenamen' of natuurlijke bloedverwanten'.

Had hij die? Ja, de dochter van zijn oom Hendrick, de broer van zijn vader Isac, Margrita Diepraam, gehuwd met Leendert Helleman. Verder Barbera Smits, de enige dochter van de overleden moeye (tante) Catharina Diepraam, gehuwd met Jan Smits. Ten derde Trijntje Borsie, de enige dochter van de overleden moeije Sara Diepraam, gehuwd met Cornelis Borsie. Zij kregen een derde deel van de helft van de nalatenschap, alle drie als kleinkinderen van ooms en tantes, broers en zusters van Isac Diepraam, de vader van Jan Isaacz.

De andere helft ging naar nakomelingen van zijn moeder Adriana Timmers, de eerste echtgenote van Isac Diepraam. Adriana had een broer, dus de oom van Jan Isaacz, Pieter Timmers. Verder was er wijlen moeye Johanna Timmers die met ene Cornelis van Bel was getrouwd. Hun dochter kreeg ook een derde van de andere helft en dan Pieter Timmers, de broer van Adriana Timmers. Over deze wat verdere verwanten zijn geen genealogische gegevens beschikbaar.

De boedel, de goederen en de obligaties werden te gelde gemaakt, maar de aan de erfgenamen uitgekeerde bedragen laten we hier buiten beschouwing.

Wel moeten we nog vermelden dat Isac Diepraam, de vader van Jan Isaacz, na Adriana nog eens getrouwd was geweest met Maggeltje Verhoeff. Zij leefde nog toen Jan Isaacz stierf en ze ontving uit zijn erfenis een legaat van vijftig gulden per jaar. Ook stonden er nog 'pretensien' open, schulden van mede-Krimpenaren, van twee weduwen en drie vrijgezelle mannen, in totaal bijna vijftien gulden. Bij het passeren van de acte werd besloten dat als dit geld ge´ncasseerd zou worden, dit naar de Krimpener armen zou gaan.

Of die armen nog aan Jan Isaacz Diepraam hebben gedacht toen zij werden verblijd, bij het kerstfeest of zo, met een paar stuijvers uit diens nalatenschap?

En ook dat is een vraag die je nooit in zulke officiële stukken beantwoord ziet.

 

Noten
  1. Zie het wapen van Krimpen aan den IJssel.
  2. Zie Geschiedenisbank Zuid-Holland.
  3. Aangetrouwd familielid Wim Brinkman trof dit testament van Hendrick Diepraam aan in het Algemeen Rijksarchief, met ongeveer 110 andere foliobladen die op een of andere wijze betrekking hebben op de Diepramen in Krimpen aan de Lek.
  4. Betekent zoiets als 'geen zegelrecht nodig'.
  5. Hertaling in hedendaags Nederlands van het citaat uit deze acte van 8 juli 1725: 'De geachte Hendrick Diepraam en Neeltje Diepraam-Leenders van Krimpen, gehuwd echtpaar en bekend staande als inwoners van Krimpen aan de Lek. Beide zijn gezond van lichaam, goed van verstand en met een goed werkend geheugen, zoals duidelijk is gebleken. Beide hebben ze in de wetenschap van het onzekere menselijke bestaan en onze sterfelijkheid dat ze willen afzien van tijdelijk en werelds bezit dat hun is geschonken door de Almachtige God waarvan zij eenmaal door de dood afstand moeten doen en na te laten. Voordien hopen zij dat hun zielen wanneer die hun lichamen zullen verlaten in de genadige en oneindige goedheid van God hun Schepper en Zaligmaker Jezus Christus en dat hun sterfelijke lichaam een eerlijke begrafenis zal ontvangen, maar dat zij hun dood te aanvaarden hun bedoeling mogen uitvoeren...'
  6. Hertaling: '...de erfgenamen, de nagelaten kinderen...' moeten ontvangen 'een wettelijk deel van de nalatenschap', maar ook zal 'in hun levensonderhoud moeten worden voorzien met eten, drinken, kleding en andere behoeften die zij nodig hebben, zowel bij ziekte als gezondheid en ook met een opleiding tot vakbekwaamheid of andere eerlijke werkzaamheden, die zij moeten ontvangen op een school van de christelijke, gereformeerde religie zoals een vader en moeder dat gewetensvol en plichtsgetrouw moet doen.'

(johd)

Wapen van Diepraam
'Oem truwe end holt'

Over oorsprong en verspreiding
van de naam Diepraam